WeblogLeren van Rotterdam |
Verwijzingen: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Het symposium Ruimte voor stadslandbouw in Rotterdam, georganiseerd door Eetbaar Rotterdam, was een leerzame gebeurtenis. Het begon al bij het prachtige gebouw, De Machinist, op het Coolhaveneiland. Dit gebouw huisvestte vroeger de zeevaartschool, nu is het getransformeerd tot een multifunctioneel verzamelgebouw. Je kunt er werken, vergaderen, goed eten, er is een boekwinkeltje, een kinderdagverblijf, en veel meer. Een mooi voorbeeld van een gedaantewisseling die de opdrachtgevers van destijds (1949) hoogstwaarschijnlijk nooit hadden kunnen voorzien. Het symposium ging eigenlijk over dit soort transformaties. Van grijs naar groen, van consumeren naar produceren, van supermarkt naar stadstuin, van snel naar langzaam. Maar ook: van houtje-touwtje naar professionalisme. Dat laatste was de aanleiding voor het symposium. Want centraal stond een bijzondere studie die Paul de Graaf heeft gemaakt.
Foto: Rien Bongers (Het Portaal)
De Graaf, lid en een van de initiatiefnemers van Eetbaar Rotterdam, heeft zich de vraag gesteld: hoe kan landbouw in de stad bijdragen aan de kwaliteit van leven in de stad? Ik kan dit rapport aan iedereen aanbevelen. Niet alleen omdat het beeldend en met veel kennis van zaken is geschreven. Ook omdat het zo mooi laat zien dat het inderdaad heel goed mogelijk is om via voedselproductie – in al zijn gedaantes – de steden te verrijken. Het laat ook zien dat het erg handig is als er veel ruimte voor komt,– fysieke ruimte, juridische, ja ook culturele ruimte - zodat we voedselproductie in de stad kunnen omarmen en stimuleren. Eetbaar Rotterdam timmert duidelijk goed aan de weg. Dat was fijn om te zien, want zo’n drie jaar eerder was ik bij de startbijeenkomst van dit mooie gezelschap.
Paul de Graaf overhandigt zijn onderzoeksrapport aan wethouder Van Huffelen.
Foto: Rien Bongers (Het Portaal)
Bart Pijnenbrug (Mensenland) leidt de paneldiscussie met Van Huffelen, Bartjan Krouwel (o.a. Produktschap Pluimee en Eieren), Peter Oei (InnovatieNetwerk), en Bas de Groot (UitJeEigenStad). Foto: Rien Bongers
Een van de discussiegroepen, ging aan de slag met een transformatie: Hoe wordt de dynamiek die zich nu (wereldwijd) voltrekt rond stadslandbouw interessant voor de reguliere, niet-stedelijke? Die vraag had ik zelf bij de organisatie naar voren geschoven omdat ik me al lang verwonder over de gescheiden werelden die er lijken te bestaan: stadslandbouwers opereren los van boeren en tuinders, en vice versa. En dan hoor ik over en weer erg vaak dédain: boeren die moestuintjes maar gehobby vinden, stadstuinders die zich er graag op voorstaan dat ze het veel beter en vooral duurzamer doen dan ‘gewone’ tuinders. Dit soort schotten helpt niemand verder. Sterker nog, we laten daardoor veel winst liggen. Ik raakte daarvan overtuigd door het boek Carrot City, dat een uitgebreide caleidoscoop biedt van de inventiviteit die om de hoek komt kijken als je onder niet-rurale omstandigheden landbouw bedrijft. Die inventiviteit genereert nieuwe inzichten en technologieën waar boeren en tuinders van kunnen leren, bijvoorbeeld om duurzamer te werken. In de discussie kwam een interessante casus naar voren: kunnen tuinders uit de regio het assortiment van tuinbouwprodukten aanvullen dat binnenkort geproduceerd gaat worden op de Marconistrip? Hoewel een voor de hand liggende vorm van samen optrekken, bleek de praktische uitvoering toch nog een heikel punt – nog ver voordat de eerste tomaten en courgettes geoogst kunnen worden. Maar dat is niet erg. Want wat ik ook weer leerde: transformaties, anders dan revoluties, gaan langzaam en haast ongemerkt. Dat komt wel goed, daar in (eetbaar!) Rotterdam. Op de site van Het Portaal kunt u het verslag van de bijeenkomst vinden. |
|




